De paardekastanjemineermot kent zoals alle vlinders en motten vier volledige ontwikkelingsstadia. Achtereenvolgens zijn dit: imago, ei, larve en pop stadium. Bijzonder is het aantal keer per jaar dat de paardekastanjemineermot zich voortplant. In Nederland is dit drie keer per jaar.

Imago

Lengte voorvleugels: ca 3,5 mm.
Lichaamslengte: ca 5 mm.
Kleur van de vleugel: metaalkleurig en oker, aan de buitenzijde zwarte randen en witte breedtestrepen.
Vorm van de vleugel: franjes aan de vleugels.
Verspreiding: mogelijk ook passief door wind over grote afstanden.
Vliegtijd: vanaf eind april begin mei, 2e generatie vanaf eind juni, 3e generatie vanaf eind september.

Ei
 
Eiafzetting: alleen op de bovenzijde van het blad (1e generatie vooral onderin de boomkroon).
Aantal eieren: per vrouwtje 20 eieren, tot 100 eieren per deel van het blad, per blad tot 300 eieren.
Uiterlijke kenmerken: witachtig, transparant, ovaalin de breedte, bij voorkeur langs zijnerven afgezet.

Larve
 
Larvale stadia: 5 larvale stadia, 1 spinsel stadium.
Uiterlijke kenmerken: witachtig tot licht beige, geen poten.
Larvaal stadium 1 tot en met 3: afgeplat.
Larvaal stadium 4 en 5: rond en duidelijk gesegmenteerd.
In larvaal stadium 5: tot 5 mm lang.

Pop

Locatie: de verpopping vindt plaats in de bladmijn.
Samenstelling: tijdens het laatste larvalestadium omgeeft de larve zich voor de verpopping met een zijdeachtige zachte substantie.
Overwintering: uitsluitend als pop in de cocon in de bladmijn.